SPELERS ONTWIKKELEN ZICH NIET IN JOUW UITLEG, MAAR IN JOUW OEFENVORM

Veel trainers associëren goed coachen met alles uitleggen. Een training wordt regelmatig stilgelegd om aanwijzingen te geven, fouten te corrigeren of oplossingen voor te doen. Goed bedoeld. Vanuit betrokkenheid. Vanuit de wens om spelers te helpen. Toch ligt de kern van ontwikkeling vaak ergens anders.
Spelers leren niet primair door wat wij vertellen, maar door wat zij ervaren in de situatie waarin ze spelen.

Voetbal is niet alleen een uitvoeringssport, maar vooral een beslissingssport.

Elke handeling begint met waarnemen, interpreteren en kiezen. Pas daarna volgt de uitvoering. Ontwikkeling ontstaat dus niet alleen door technische herhaling, maar door het herhaaldelijk moeten oplossen van spelproblemen. Daarom ligt een groot deel van de invloed van de trainer niet in wat hij zegt, maar in wat en hoe hij organiseert.

LEREN ONTSTAAT IN DE KOPPELING TUSSEN WAARNEMEN EN HANDELEN

Onderzoek van Renshaw, Davids en Chow (2019) laat zien dat spelers zich vooral ontwikkelen wanneer zij zelf oplossingen moeten vinden in realistische spelsituaties. Dit wordt vaak beschreven als de koppeling tussen perceptie en actie.

Wanneer spelers voortdurend informatie uit hun omgeving verwerken, zoals waar ruimte ligt, waar druk vandaan komt en waar kansen ontstaan, ontwikkelen zij niet alleen hun techniek maar vooral hun handelingssnelheid en spelinzicht.

In deze benadering verschuift de rol van de trainer. Niet langer staat het voordoen of uitleggen centraal, maar het ontwerpen van leeromgevingen waarin spelers worden uitgedaagd om zelf te ontdekken.

DE VALKUIL VAN TE VEEL COACHEN

Wanneer trainers elke fout direct corrigeren of oplossingen voorkauwen, ontstaat een onbedoeld effect. Spelers worden afhankelijk van externe sturing. Ze wachten op aanwijzingen in plaats van zelf initiatief te nemen.

Onderzoek naar impliciet leren laat zien dat te veel expliciete instructie het leerproces zelfs kan vertragen (Masters & Maxwell, 2008). Spelers die voortdurend gestuurd worden, ontwikkelen minder robuuste vaardigheden en hebben meer moeite om onder druk zelfstandig beslissingen te nemen.

Dit betekent niet dat coaching onbelangrijk is. Integendeel. Maar de timing en vorm van coaching maken het verschil.

Soms is het krachtiger om een oefenvorm te laten doorlopen en spelers zelf te laten ervaren wat werkt en wat niet. Juist in die fase van zoeken, aanpassen en opnieuw proberen ontstaat duurzame ontwikkeling.

DE OEFENVORM ALS KRACHTIGSTE COACHMIDDEL

Een trainer heeft verschillende middelen om gedrag te sturen zonder direct in te grijpen.
Door kleine aanpassingen in de organisatie van de training verandert het gedrag van spelers vaak vanzelf.

Denk aan:

  • Het aanpassen van veldgrootte 
  • Spelen met over- of ondertal 
  • Het toevoegen van richting of scorevormen 
  • Het beperken van tijd of balcontacten 
  • Het creëren van zones of spelregels 

Deze zogenaamde constraints bepalen in sterke mate welke oplossingen spelers gaan zoeken (Chow et al., 2016).
Met andere woorden: de vorm van de oefening stuurt het leerproces.

  • Wil je sneller handelen stimuleren?
    → Verklein de ruimte, voeg tijdsdruk toe of werk met maximaal aantal balcontacten. 
  • Wil je spelers leren doelgericht spelen?
    → Plaats doelen, voeg scoringsoptie(s) toe of verander de speelrichting na balverovering. 
  • Wil je initiatief aan de bal vergroten?
    → Beloon vooruit dribbelen of passen met extra punten. 
  • Wil je spelers beter laten vrijlopen zonder bal?
    → Werk met aanspeelzones of een regel waarbij een doelpunt alleen telt na een pass vanuit een andere zone. 
  • Wil je communicatie en samenwerking stimuleren?
    → Laat teams spelen met een ondertal, waardoor spelers elkaar meer moeten coachen en ondersteunen. 
  • Wil je het herkennen van omschakelmomenten verbeteren?
    → Geef dubbele punten wanneer een team binnen vijf seconden na balwinst scoort of na balverlies de bal verovert.
  • Wil je diepgang zonder bal stimuleren?
    → Werk met een buitenspel of een scoringsregel waarbij een doelpunt voor dubbele punten zorgt na een loopactie en pass achter de laatste lijn. 

Door het aanpassen van de spelcontext verandert het gedrag van spelers vaak vanzelf, zonder dat de trainer voortdurend hoeft in te grijpen

EEN BELANGRIJKE KANTTEKENING

Deze manier van werken vraagt wel iets van de trainer. Het principe “spelers leren door ervaren” werkt alleen wanneer de oefenvormen doordacht en doelgericht zijn georganiseerd. Wanneer de organisatie niet klopt door bijvoorbeeld te weinig weerstand, te veel wachttijd, onduidelijke spelbedoeling of een vorm die weinig lijkt op de wedstrijdcontext, ontstaat er geen effectief leerproces.

Het ontwerpen van goede oefenvormen vraagt dus om voorbereiding. 

De trainer moet helder hebben:

  • Welk gedrag hij wil ontwikkelen 
  • Welk spelprobleem centraal staat 
  • Hoe de vorm dit gedrag uitlokt 

Pas wanneer deze voorwaarden aanwezig zijn, kan ervaringsgericht leren tot zijn recht komen.

TOT SLOT

De beste trainers zijn niet per definitie degene die het meeste uitleggen.
Zij zijn degene die de meest krachtige leeromgevingen creëren. 

Door spelers regelmatig zelf te laten zoeken, fouten te laten maken en oplossingen te laten ontdekken, ontwikkelen zij vaardigheden die onder druk standhouden. Niet alleen technische vaardigheden maar ook spelinzicht, veerkracht en zelfstandigheid.

Uiteindelijk blijft niet hangen wat een trainer heeft gezegd.
Wat blijft hangen is wat een speler heeft ervaren en geleerd in het spel zelf.